Onder de spoorbrug in Berlijn op de grijsgrauwe stoepstenen wacht een leeg koffiebekertje op geld. Daarachter een man, diep weggedoken in zijn capuchon, zijn benen onder een smoezelige deken, zijn hoofd met leesbril gebogen over Jonas Jonassons Der Hundertjährige, der aus dem Fenster stieg und verschwand. Ik hurk naast hem, vraag of ik wat mag vragen. Het mag.
Twaalf jaar geleden raakte hij alles kwijt, zijn vrouw, zijn baan, zijn huis, zijn honden, zijn boot. Alcohol. Hij haalt even zijn schouders op. Dit is nu zijn leven, het zal niet meer veranderen, hij zou niet weten hoe, hij is eraan gewend geraakt, beschouwt zichzelf niet als arm, misschien juist wel rijker dan de rijken, want als hij opkijkt naar de ogen van voorbijgangers ziet hij daar maar weinig geluk.
Hij leest veel, het leidt hem af van de realiteit, de tijd gaat sneller, en dit is ook nog eens een leuk boek, vrolijk en vol humor. Hij krijgt regelmatig boeken van voorbijgangers, soms koopt hij er een, en hij schrijft gedichten, heeft ze wel eens mogen voordragen voor de radio, hij houdt van taal, van de klank van woorden, lezen en schrijven maken hem blij. Ik knik. Mij ook.
Mijn blog zal hij niet lezen, ze hebben vorige maand zijn telefoon gejat, en ach, het leven zonder bevalt hem eigenlijk ook goed. Die honderdjarige, die heeft een soort gelatenheid over zich, het leven komt zoals het komt, hij is oud en heeft geen verwachtingen meer. Dat herkent hij. Elke dag is er een, elke dag brengt iets anders, hij ziet het wel, het is goed zo.
Als ik de volgende dag langsloop en vraag hoe ver hij inmiddels is, laat hij me glunderend zijn volgende boek zien: Jonas Jonasson, De profeet en de idioot.