Over het smalle pad komt een wandelwagen aangereden, met daarin een hele kleine jongen met een muts op, blozende wangen, een speen in zijn mond en een opengeslagen boek in zijn handen.
‘Lees je een boek?’ vraag ik.
Hij kijkt niet op.
‘Boek?’ Ik wijs en glimlach uitnodigend.
Hij blijft geconcentreerd naar de gekleurde platen turen.
Zijn moeder, achter de kinderwagen, vertelt dat het zijn lievelingsboek is. Haar dochtertje heeft het verslonden en nu kan haar kleine jongen er niet genoeg van krijgen. Het is een boek uit de serie Het kleine verhalenorkest en Pepijn ‘leest’ op dit moment De Notenkraker van Tsjaikovski. Een boek met korte teksten, grote veelkleurige platen op stevige kartonnen bladzijden en op elke plaat een glimmende stip waar je op kunt drukken en dan klinkt er een deel uit de suite.
Terwijl ik naar zijn moeder luister zie ik hoe een kleine mollige vinger zo’n stip aanraakt. Er gebeurt niets.
‘De batterij is leeg, vrees ik,’ zegt zijn moeder.
Pepijn kijkt niet op, hij slaat de bladzijde om.