Als ik in de trein naar Berlijn stap zit hij er al, koptelefoon op, boek op schoot. What I loved van Siri Hustvedt, best fijn, een boek in de originele taal, hij is tweetalig opgevoed, Engels en Nederlands zijn hem om het even.
In Hong Kong geboren en in zijn jonge jaren elf keer verhuisd en van school gewisseld. Boeken en films waren zijn veilige haven, verhalen de vaste waarden in een onrustig bestaan. Ze leerden hem zich in te leven in andere perspectieven, een vaardigheid die hem goed van pas kwam toen, en nu, als journalist. Ze maken hem rustig, zetten zijn leven even stil, houden hem op z’n plaats. Hij houdt van woorden, van zinnen, van taal.
Het boek gaat over twee bevriende echtparen, kunstenaars en kunsthistorici, over hun relaties, hun kinderen en natuurlijk ook over kunst. Het punt waar het verhaal begint is precies het punt waar hij nu staat. Begin dertig. Een moment van transitie, geen student meer maar ook nog niet gesetteld, een beginnende relatie, een einde aan het eindeloze uitgaan, vrienden die gaan samenwonen, de eerste kinderen die worden geboren, de vraag: waar gaat zijn leven met hem naar toe? Hij heeft een hechte vriendenkring aan zijn laatste middelbare school overgehouden, ze vormen als het ware zijn familie, die gedeelde ervaring, die blijft.
Als journalist schrijft en maakt hij veel verhalen, hij droomde van ooit zelf schrijver worden, ‘Maar ja,’ hij wijst naar het boek voor hem en schudt zijn hoofd, ‘Zó kunnen schrijven…’