zijn blonde haar keurig geknipt, zijn overhemd gestreken, naast hem op het bankje zijn rugtas. Ik tref hem op de noordpunt van het eiland, alleen, met uitzicht op zee en een boek op zijn schoot. Als ik hem aanspreek doet hij het boek dicht en legt het omgekeerd weg. Door een donker-omrande bril kijken zijn blauwe ogen me een tikkeltje wantrouwend aan.
‘Als het maar niet te persoonlijk wordt en als ik erbij mag roken.’ Ik knik. Hij steekt een Gauloises op.
Hij komt al zijn hele leven een keer per jaar naar Amrum. Vroeger met zijn moeder, nu alleen. Hier, in alle stilte, tussen Steenrode en Nebel leest hij steeds opnieuw dezelfde auteur, een Amerikaan – ik denk aan Hemingway, Melville, King, Poe, Nabokov of Mailer. En de laatste drie jaar ook steeds hetzelfde boek – ik denk aan The old man and the sea, The catcher in the Rye, Moby Dick, Lolita.
Hij is een rustige gelijkmatige man, wordt nooit kwaad, schreeuwt nooit, maar in zijn werk – timmerman – gaat het er niet altijd zo vredig aan toe. Als hij hier is, alleen tussen de vogels – er vliegt een groenpoot over – verwerkt hij wat hij heeft geïncasseerd en doorleeft zijn emoties aan de hand van dit boek. Inmiddels kent hij het van a tot z en toch wordt het nooit langdradig.
Ik kan mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. ‘Welke schrijver, welk boek?’
‘Edward Lee. De belangrijkste horrorauteur.’ Hij draait het boek om. Die Minotauress. Op de band staat in rode letters het woord Extrem. ‘Het genre schrikt heel veel mensen af, de verhalen zijn geweldadig, angstaanjagend, gruwelijk. De boeken hebben geen ISBN-nummer, ze mogen er eigenlijk niet zijn.’
Hij lacht me vriendelijk toe. Zijn rechterhoektand steekt een beetje uit.