Op een ligbed voor zijn vintage camper, in de schaduw van de luifel, leest een man Catch 22 van Joseph Heller. Een van zijn vrienden dacht dat hij wel zou kunnen lachen om de absurditeit van het verhaal. Tot nu toe heeft hij niet heel erg gelachen – hij is halverwege – maar het boeit hem wel. Het boek uit 1961 toont de absurditeit van oorlog voeren, met name van de Tweede Wereldoorlog. Het beschrijft een mannenwereld op een luchtmachtbasis, de personages met al hun tekortkomingen en ambities, zijn druk doende zichzelf te profileren of weg te duiken. De hoofdpersoon wil uit dienst, en dat mag als je krankzinnig bent. Maar als je kunt aantonen dat je krankzinnig bent geworden van het werk dat je doet, dan ben je juist gezond en mag je er niet uit. Absurd dus.
Hij leest het boek in het Engels, dat is een taal die hij toevallig goed beheerst, hij vindt het fijn om een boek in de orginele taal te lezen, dan komen de woordgrappen beter uit de verf.
Hij leest niet vaak, maar in vakanties wel. Even een moment voor zichzelf, een moment van reflectie. Hij kan het boek goed relateren aan zijn eigen werk, als brandweerman zit hij ook in zo’n mannenwereld, heeft hij ook veel tijd waarin er niets te doen is. Soms zitten ze bij elkaar en dan denkt hij: wat zitten we hier te doen? Is dit werk? Maar zijn doel – helpen, blussen, redden – is goddank een heel ander doel dan dat van de mannen in Catch 22.