Ze zit voor een van de grote ramen, haar rug naar de drukte, uitzicht op de Martinitoren, een makkelijke stoel, een rustige plek. Thuis moet altijd van alles, hier hoeft niks en kan ze zich concentreren.
Het boek waar ze in is verdiept – A4 formaat en slappe kaft – is een Chinees studieboek, ze wil haar leesvaarigheid verbeteren. Het zijn essays, geen makkelijke kost, veel woorden die ze nog niet kent. ‘In dit essay,’ ze wijst op een bladzijde vol Chines karakters, ‘wordt een vergelijking gemaakt tussen de Westerse supermarkten en de Chinese.’
Het is een hobby, het begon met Chinese vrienden, ze raakte geïnteresseerd in de taal, de rest volgde vanzelf. Ze daagt zichzelf graag uit met niet al te makkelijke dingen, ‘dat is een stuk bevredigender dan de hele dag Netflix kijken, om maar eens een plattidude te gebruiken…’
Ze is een groot lezer, altijd en overal, in de trein, op een terras, in een park, in de auto, ze heeft altijd een boek bij zich, gewoon, omdat het heerlijk is om in een andere wereld en een ander hoofd te zitten. Naast Chinees spreekt ze Engels, Duits, Frans, Spaans en Gebarentaal.
‘Ik ben vaak in China geweest,’ vertel ik, ‘maar ik ken maar een paar woorden. Xiexie’ en ‘Zàijiàn. Dank je wel en tot ziens.