Het boek ligt open, het is een dik boek en ze is halverwege. Aan de bladspiegel herken ik het Librisprijswinnende werk van Bert Natter Aan het einde van de oorlog.
‘Het was ergens rond vijf mei, ik stond in de boekwinkel, ik wilde iets nieuws, ik moet altijd een boek open hebben, even weg uit de werkelijkheid, ontspanning, het leert me dingen en neemt me mee in een verhaal. Ik had een recensie gelezen in de Volkskrant, nog vóór Natters nominatie en ik wilde meer weten over de tweede wereldoorlog. Op de achterflap staat: …je wilt dit niet lezen maar toch kun je het niet wegleggen. Ik aarzelde, bladerde erdoorheen en kocht het.
Het boek speelt zich af in twee dagen in een concentratiekamp net voor het einde van de oorlog. Het heeft geen hoofdstukken, maar perspectieven, iedere keer is er iemand anders aan het woord, op een andere plek. Voorin staan een overzicht van de personages en een plattegrond. Ik blader af en toe terug om te zien: wie spreekt er nu en waar is diegene nu. Het is waar. Als je er eenmaal inzit kun je het niet meer wegleggen.
Dit boek heb ik mee voor onderweg, ik ga naar Terschelling, twee uur trein, twee uur boot, lekker veel leestijd. Meestal lees ik voor het slapen gaan maar met dit boek wil ik niet in slaap vallen. Ik heb een koptelefoon mee met muziek van Marrilion, symfonische rock, zo kan ik me goed concentreren. Ik ben herstellend van een burn-out, concentratie is dan lange tijd geen vanzelfsprekendheid.
Gelukkig is er niets in dit boek wat ik herken of wat raakt aan mijn eigen leven.’ Ze is even stil, we kijken allebei naar buiten, de spiegelgladde zee, de skyline van Harlingen, een langsscherende meeuw. Ze glimlacht. ‘Misschien is er toch een raakvlak: het gaat over overleven, over goed voor jezelf zorgen. Ik kan het iedereen aanraden.