Het is de eerste foto en de laatste foto die er van Eugenie Banza is gemaakt. Ze draagt een rode jurk met warrige witte stipjes, wijd en comfortabel, met knoopjes aan de voorkant zodat ze hem makkelijk zelf dicht kan doen. Sinds ze jaren geleden een keer missloeg bij het houtkloven is ze het stuur over haar linkerhand kwijt, die doet alleen nog wat haar ogen kunnen zien.
Haar oudste zoon wil dit portret. Hij wil haar bewaren, en ook het huis, nu het er nog staat, met de rode gestippelde gordijnen en het trapje waar hij altijd afsprong.
‘Je kan me in je hart bewaren,’ zegt ze.
‘Die hoed hoeft niet,’ zegt hij.
‘Als jij me wilt bewaren, dan met mijn zondagse hoed,’ zegt zij.
Hij richt de camera, ziet niet het vergiet en de theedoek die vlak naast haar hoofd aan een spijker hangen.
Ze kijkt tegen de zon in, ze lijkt boos maar is het niet. De slavernij was weliswaar afgeschaft toen zij ter wereld kwam, maar het leven voor vrijgemaakte slaven was en bleef moeilijk.
Congo kent ze alleen uit de verhalen van haar voorouders, ze is er nooit geweest, haar zoon zal er nooit naartoe gaan. Hij heeft een goede baan in New York.
Zometeen verhuist ze naar een Old Folks’ Home, ze wil niet, maar ze heeft geen keus. Haar huis wordt afgebroken. De schommelstoel neemt ze mee. En het vergiet? Dat niet. Het vergiet wordt vergeten.