Als baby lacht de kleine Therèse veel, ze beweegt veel en huilt niet. ‘Een engeltje,’ zegt haar moeder, een makkelijk kind.
Maar als ze drie is praat ze nog steeds niet, ze luistert niet, ze is ’s ochtends niet wakker te krijgen en als ze schrikt slaakt ze een dierlijke kreet, die iedereen de stuipen op het lijf jaagt.
Ze heeft geluk dat ze in Leipzig geboren is. Daar staat de eerste dovenschool van Europa. Op haar vierde loopt ze er aan de hand van moeder naartoe. Ze leert er liplezen en gebarentaal. Het ligt in de bedoeling dat meisjes daar worden klaargestoomd voor het verrichten van huishoudelijke taken. Maar dat wil Therèse niet, zij wil coupeuse worden.
Op de foto draagt ze een blouse van witte organza, daaronder een donkerblauwe soepel vallende rok waardoorheen de contouren van haar groeiende buik zichtbaar zijn. Ze is getrouwd met Karl Gumbach, haar vijftien jaar oudere leraar gebarentaal en ze verwacht haar eerste kind.
Het is 1911, haar hand rust losjes op een balustrade, ze kijkt ernstig en geconcentreerd en met een zweem van angst in haar grote ogen naar de lippen van de fotograaf. Klik. Ze zou zo op een schilderij van Gustav Klimt hebben kunnen staan.